Jaren 70 al in kleur maar nog zeer vroom

De Grauwzusters hadden in 1925 samen met enkele artsen het ziekenhuis opgericht en in 1938 openden ze het moederhuis. De eerste decennia stonden de zusters centraal op onze materniteit. Er waren geen gynaecologen en ook geen kinderartsen. Pas in 1958 begon dr. Paul Lontie op de kraamafdeling, een van de allereerste erkende gynaecologen in België. Jo Vissers werd in 1974 als eerste leek hoofdvroedvrouw in het Heilig Hart Tienen, in de voetsporen van zuster Serafine.

De zusters gingen drie tot vier keer per dag bidden tijdens hun dagtaken in het moederhuis. Bij nood konden de leken-vroedvrouwen niet rechtstreeks telefoneren naar de kapel. Ze moesten van de tweede naar de eerste verdieping hollen om op de bel te drukken: twee keer kort en een keer lang.  Bij het horen van haar code staakte hoofdvroedvrouw zuster Serafine het gebed en verliet snel de kapel. Zo gebeurde het af en toe dat de vroedvrouw het kindje al in de handen had liggen als de zuster aan de bevallingstafel kwam.

‘s Avonds gingen de vroedvrouwen bij elke kamer aankloppen met de vraag of de moeder de volgende dag de communie wilden ontvangen na de ochtendmis. In dat geval werd hun bed mooi opgedekt en kregen ze een kanten communiedoekje opgelegd. 

‘In nood moet en mag iedereen dopen’, was de leuze van zuster Serafine. Dus stonden er in het moederhuis altijd een mobiel doopvontje, een flesje wijwater en een palmtakje klaar. Wellicht werden tientallen kindjes door leken-vroedvrouwen gedoopt omdat ze te gulzig hadden gedronken en zich verslikten. Als de vroedvrouw bang was dat de baby erin zou blijven, haalde ze gauw het gewijde water boven want de tweede stelregel van de zuster was: beter een keer te veel dopen dan niet. En zo geschiedde.