Ons zuster en ik

Jo Vissers, hoofdvroedvrouw in RZ Tienen van 1985 tot 2002

Dat ze zo blij is om hier terug te zijn. En dat ze hier heel graag heeft gewerkt. Héél graag. Vroedvrouw Jo Vissers (66) zegt het met de warme nadruk die ze tijdens dit gesprek regelmatig op haar woorden legt. Haar liefde voor de materniteit, voor de collega’s en voor haar werk is voelbaar.  

'Toen ik 11 was, wist ik dat ik vroedvrouw wou worden. Mijn hart sprong op als ik iets hoorde over verpleging. Maar ik moest schilder worden, zoals mijn vader.’ Ze schakelde een hulplijn in: haar tante nonneke zorgde ervoor dat ze in Lier op internaat kon om verpleegster te worden. ‘Vanaf dag één zetten ze me op materniteit of pediatrie, zo duidelijk was het welke richting ik uit wou. Ik heb nooit op andere diensten moeten staan.’ 

Zoals een baby het leven binnenkomt zonder kloppen, zo moest Jo nooit solliciteren als vroedvrouw. Tijdens haar derde jaar bezocht ze haar zus die net bevallen was in Bornem. De hoofdverpleegster deed haar het aanbod om er te starten. Ook later, in de materniteit van Tienen, kon ze zo beginnen: haar man was een neef van een kloosterzuster. 

Jaren werkte ze er naast en met zuster Serafine, ‘ons zuster’ zoals Jo het zegt. 'We maakten veel ruzie, maar we zagen elkaar graag. Ik wist hoe zwaar zuster Serafine het had: ze sliep hier, deed 1 week op 2 wachtdienst én werkte ook nog eens hele dagen als vroedvrouw. Als ze dan vrijdagavond naar het koor wou en vroeg of ik voor haar wou inspringen, dan deed ik dat graag. En op een dag vroeg ze of ik haar wou opvolgen.’ 

Dat ze dat niet kon, zei Jo. Dat ze dat wel kon, zeiden de gynaecologen en pediaters, zij geloofden in haar. ‘Technisch - met machines - ben ik niet sterk maar ik heb wel een grote menselijke kant. Dus ik ging naar Brussel voor een tweejarige cursus en in 1985 werd ik hoofdvroedvrouw.’ 

Al snel zorgde ze ervoor dat kindjes bij hun moeder bleven slapen. Of dat toen ook op andere materniteiten werd ingevoerd, weet ze niet. ‘Ik volgde mijn gevoel en heb me nooit zo hard beziggehouden met hoe het moest of elders was. Ik had ook schitterende vroedvrouwen in mijn team.’ 

In Jo’s tijd als hoofdvroedvrouw ontstond het sterrenkamertje waar ouders de ruimte en de tijd kregen om afscheid te nemen van hun doodgeboren kindje. ‘Ook als er een mama binnenkwam van wie het kindje thuis was gestorven door wiegendood, kwamen ze mij roepen. Ik nam veel tijd om samen met de ouders afscheid te nemen.’ Misschien ontstond die grote zorg voor anderen wel uit haar eigen pijn. Na drie mooie bevallingen verloor Jo haar vierde kindje tijdens de zwangerschap. ‘Ik heb het gevoeld, maar ik heb het nooit mogen zien. Jaren heb ik in mijn droom gezocht naar dat kindje. Je wil niet dat iemand anders dat meemaakt.’

Jo heeft honderden vrouwen helpen bevallen, sommige bevallingen vergeet ze nooit. Zo was er de vrouw die haar man tijdens de arbeid buiten stuurde. ‘Ik begreep het niet en kon er natuurlijk ook niet in tussenkomen. Maar later heeft die vrouw zich in mijn bijzijn bij haar man geëxcuseerd: ze wou niet dat hij haar zo zag.’ En ook de geboorte van een paar drielingen was speciaal. ‘Het voelt als een stukje van jezelf, zeker als de mama hier voordien lang had gerust.’
Of ze de vrouwen (en hun partners) nog herkende nadien, op straat of in de winkel? ‘Nee, ik heb zoveel bevallingen meegemaakt. Op een dag stormde een onbekende man me voorbij toen ik van de trap liep. Beneden gekomen zei hij: ‘Voor de vroedvrouw van mijn zoon doe ik de deur open.’’

Jo hield niet van machines, maar ze was wel blij met de komst van de elektronische monitor. Voordien was er de Leffscoop, een soort stethoscoop. Pas met de monitor konden ouders ook zelf het hartje van de baby horen: ‘Als ze tokke tokke tok hoorden, waren ze gerust.’ 

Jo eindigde haar loopbaan op pediatrie. Maar haar hart verloor ze aan de materniteit. Ook nu hoort ze alleen maar goeds van de afdeling. ‘Ik heb er alle vertrouwen in dat ze het hier verder goed gaan doen.’