Van mannenzaak naar vrouwenteam

 

Dr. Ine Riphagen, gynaecoloog in RZ Tienen sinds 1988

20 jaar moest de materniteit worden voor ze haar eerste gynaecoloog mocht verwelkomen, dr. Paul Lontie. ‘De gynaecologie was nog maar net wettelijk erkend als medisch specialisme, dr. Lontie was een van de eerste erkende gynaecologen in ons land’, vertelt dr. Ine Riphagen (61). ‘In het moederhuis kwamen alleen huisartsen. Elke afgestudeerde arts was immers doctor in de genees-, heel- en verloskunde.’

De grote verandering kwam er eind jaren 70, begin 80. De huisartsen verdwenen uit de kraamafdeling, gynaecologen en pediaters vormden een medische tandem én de technologie deed haar intrede. Na de echografie voor onderzoek van de foetus tijdens de zwangerschap, was de komst van de elektronische bewaking tijdens arbeid en bevalling een kantelpunt. ‘Tot dan kon de gynaecoloog de hartslag van de ongeboren baby enkel beluisteren met de Leffscoop, een stethoscoop met een grote ‘klok’ die je op de zwangere buik zette. Daarmee kon je alleen horen of er een hartslag was. De monitor berekent de hartfrequentie en die zegt ons meer over de algemene toestand van de ongeboren baby. De monitor registreert ook de druk en de contracties in de baarmoeder, de weeën dus. Een nieuwe stap vooruit was de STAN-monitor, die we sinds 2005 hebben. Deze geavanceerde monitor spoort sneller zuurstoftekort op bij de baby tijdens de arbeid. Zo kunnen we ook sneller ingrijpen.’

‘De monitoring gebeurt nog altijd zoals in mijn beginjaren, maar kan nu helemaal draadloos. De mama is niet meer aan het toestel gekluisterd. Tijdens de weeën is dat toch een verzachtend gemak! Ook een grote vooruitgang is dat we de monitorgegevens altijd en overal beschikbaar hebben. Of ik nu van wacht ben of elders in het ziekenhuis raadplegingen doe, ik kan de mama’s in arbeid continu volgen op mijn laptop. Fantastisch vind ik dat. Ook voor de vroedvrouwen brengt het meer rust, en je kunt de verantwoordelijkheid beter delen. Technologie dus, maar even opvallend is dat verloskamers en materniteiten vandaag een huiselijke sfeer uitstralen. Met hotelcomfort. Een sofa op de kamer, de partner die kan overnachten, een speelkamer voor de bezoekende broers en zusjes. In het verloskwartier een zitbal, massagebad, muziek en tv. En de moderne communicatiemiddelen zorgen ook voor aparte momenten. Een vrouw moest bevallen van haar eerste kind, het kwam vroeger dan voorzien en haar man was in het buitenland. Ze haalde haar tablet boven en vroeg of haar man via Skype de bevalling mocht volgen. Het contact met de papa liep wat moeilijker dan wanneer die naast je staat, maar het was fijn voor hun beiden dat het dankzij de techniek zo kon.’

De materniteit was al 50 toen ze haar eerste vrouwelijke arts kreeg. Dr. Riphagen kwam in 1988 in een grotendeels mannelijk artsenteam terecht: de gynaecologen dr. Lontie en dr. Marcel Verjans, en de pediaters dr. Stefaan Melchior en dr. Kathleen Brouckmans. ‘Ik hoorde bij een eerste generatie vrouwelijke gynaecologen. Nu is dat vanzelfsprekend, en is zelfs het omgekeerde het geval, je vindt nauwelijks nog mannen in de opleiding gynaecologie. Toen wilden we elke patiënt zelf bij de bevalling begeleiden en moest je dus op de meest onmogelijke momenten bevallingen doen. Als ik daar met de ogen van vandaag naar kijk: onbegrijpelijk bijna, dat ik het verjaardagsfeestje van mijn eigen kind in de steek liet uit schrik om niet als professioneel aanzien te worden. Het is niet meer van deze tijd dat je in je eentje 500 bevallingen op een jaar doet. Het is zo intensief dat het in team moet, en het is een terechte trend dat de jongere generatie artsen een goede balans wil tussen werk en privé. Vandaag hebben patiënten alle begrip voor onze beurtrol. We vormen dankzij goede afspraken een mooi team en we springen in voor elkaar.’

Dr. Riphagen heeft ondertussen bijna 5000 bevallingen op de teller. ‘Ik ken stilaan evenveel oma’s als mama’s. Onlangs tijdens een weekendwacht zei de patiënte van wie ik de bevalling begeleidde nog: “U hebt alle drie de bevallingen van mijn mama gedaan!”. Mijn beste vriendin en ik waren tegelijk zwanger, allebei van ons eerste kind, en ik had haar beloofd om bij haar bevalling te zijn - ik was toen nog assistent in Leuven. Ik beviel onverwacht tien dagen voor haar. Maar belofte maakt schuld, en letterlijk tussen twee borstvoedingen in heb ik haar dochter ter wereld geholpen. En toen ik thuiskwam: een heel opgeluchte man, onze hongerige zoon aan het troosten.’