We moesten 's nachts ook strijken

Drie zussen op de materniteit

Een gesprek met de 3 zussen Rita (70), Reinhilde (67) en Bea (57) Maris over het moederhuis in Tienen: dat is het leven zoals het is op de materniteit in de jaren 60, 70 en 80. De 2 oudste zusjes Maris starten hun carrière op de materniteit eind jaren 60 waar hun nicht Christine Bangels, een van de eerste leken-vroedvrouwen bij de Grauwzusters, toen al werkte. Ook voor de 10-jarige Bea is het al snel beklonken dat ze vroedvrouw zal worden: ‘Als Rita avonddienst had, ging ik altijd mee. Ik mocht dan alle bedjes met de baby’s naar de grote babykamer rijden. Die sliepen in die tijd niet op de kamer bij de moeder.’ Hoofdvroedvrouw zuster Serafine beloofde aan de kleine Bea dat ze op het moederhuis mocht beginnen, als ze voor vroedvrouw zou leren, en hield woord. ‘Onze ouders waren super trots dat hun 3 dochters in de kliniek in Tienen werkten. Ze lieten het aan iedereen die op de boerderij kwam horen, aan de buurvrouw, aan de veearts, zelfs aan de belastinginspecteur uit Brussel.’

‘Bij zuster Serafine,’ weet Reinhilde  nog goed, ‘was het een kwestie van niet te snel zijn. Ze sliep in ons bureau op de gang. We mochten haar pas wakker maken als het echt zo ver was. Dan trok ze gauw een schort over haar nachtkleed.’ Het nachtelijk beeld van de zuster op haar slippers die samen met de huisdokter of dr. Lontie de kindjes op de wereld brengt, staat in haar geheugen gebeiteld. Net als de aparte manier waarop de zuster over ontsluiting sprak. ‘Die werd in 5 frank en 20 frank opening uitgedrukt, centimeters kwamen er niet aan te pas.’ 

Nostalgie troef over de catering in het moederhuis van weleer. ‘Je moest al een hele tijd in het moederhuis werken voor je de maaltijd mocht opdienen in de luxekamers. We moesten eerst het tafeltje dekken met een wit gestreken tafelkleed en een mooi gedecoreerd servies en zilveren bestek. Én een boterpot! Want deze moeders mochten hun eigen boterhammen smeren. De moeders op zaal en in de gewone kamers kregen voorgesmeerde boterhammen op borden van mindere kwaliteit. In de luxekamers was er ook dessert! Een specialiteit van zuster Alphonse, omelet sibérienne.’

Tijdens de nachtdienst was Reinhilde, die goed met een naaimachine overweg kon, vaak aan het stikken. ‘Alle kindjes kregen een roze of een blauw geruit kleedje van de kliniek. Die heb ik allemaal gemaakt. ’s Nachts moesten we ook strijken. De zuster waste de tafellakens, kleedjes en communiedoekjes en legde ze dan ’s avonds klaar voor ons.’ 

Jongste telg Bea herinnert zich vooral nog het eindeloos opplooien van de compressen voor de katoenen maandverbanden. ‘Wat waren we opgelucht toen we wegwerpmaandverband kregen.’ Bea werkt vandaag nog op de materniteit en heeft het sinds begin jaren 80 enorm zien evolueren. ‘Eigenlijk kwam een moeder vroeger bijna niet aan haar kindje. De baby lag de hele tijd achter een glazen deur en de vroedvrouw deed de verzorging. Borstvoeding was te tijdrovend, vonden de zusters vroeger. Vandaag geven we vooraf al infosessies aan de ouders over borstvoeding en nemen we onze tijd om moeder en baby hierbij te begeleiden. We besteden veel aandacht aan het contact tussen moeder en baby: we beginnen meteen al na de geboorte met huid-op-huidcontact. Vroeger werden kindjes na de geboorte eerst gewassen en twee uur in een verwarmbedje gelegd. Voor mijn jongere collega’s zijn die tijden echt ondenkbaar. Gelukkig maar!’